Struun’n deur Zuudbrouk-Noordbrouk en omgeef’n

Update

10 febr. 2026

Zuidbroek: een dorpje in Oost-Groningen met een kleine vierduizend inwoners. Sinds enige jaren onderdeel van de gemeente Midden-Groningen

Zo'n duizend jaar geleden ontstaan op een zandrug in het veen. In de zeventiende eeuw werd hier het Winschoterdiep gegraven. Hierdoor verlegde het centrum van het dorp zich van de omgeving van de middeleeuwse Petruskerk (ten noorden van de huidige A7) naar de oevers van het nieuwe scheepvaartkanaal.

De plaats  heeft zich industrieel ontwikkeld, met bijvoorbeeld een scheepshelling, vlasfabriek en aardappelmeelfabriek. Deze laatste werd de Motké-fabriek genoemd en werd opgericht door de bekende Groninger ondernemersfamilie W.A. en J.E. Scholten

 

 

 

De aanwezigheid van het water, een sluis met brug en het drukke scheepvaartverkeer uit de Veenkoloniën gaven Zuidbroek een belangrijke impuls. Handel en nijverheid vonden hier een geschikte vestigingsplaats, en getuige het later in Zuidbroek gevestigde kantongerecht en het belastingkantoor werd het dorp ook in bestuurlijke zin het middelpunt van een veel grotere omgeving.

 

De bebouwing langs het Winschoterdiep vormde eeuwenlang een weerslag van de economische dynamiek van Zuidbroek. Huizen van kooplieden en notabelen stonden temidden van de woningen en werkplaatsen van ambachtslieden en winkeliers, en enkele logementen boden de reizigers om te vernachten.

 

Zuidbroek was een geschikte halteplaats, omdat het op ongeveer een dagreis per trekschuit van zowel Groningen als van Winschoten af lag.

 

Evenals Noordbroek was Zuidbroek een belangrijk Oldambtster middeleeuws dorp en centrum van bestuur en rechtspraak. Het dorp had een versterkt huis (stins –borg) waar het hoofdelingen geslacht Gockinga woonde. Deze borg stond in Uiterburen. Ten noorden van de A7. Het dorp had een oudere versie op de plek ten Noorden van Uiterburen, maar verplaatste zich vanaf de 15e eeuw.

 

Door de planmatige exploitatie van de venen (Hoogezand –Sappemeer- Veendam-Wildervank) in de 17e eeuw en de aanleg van kanalen zoals het Winschoterdiep werd Zuidbroek ook een centrum voor vervoer en handel. Het centrum van het dorp verplaatste zich van rondom de kerk naar rondom het Winschoterdiep.

De latere ontsluiting door de aanleg van een spoorlijn versterkte deze ontwikkeling.

 

Het dorp Zuidbroek bestaat dus eigenlijk uit een middeleeuws Oldambtster deel en een veenkoloniaal deel van af 1628, dat laatste is het deel rond het Winschoter diep en het Muntendammerdiep.

De grootschalige vervening richting Tripscompagnie werd vanaf 1648 ter hand genomen.

 

Het Winschoterdiep, dat werd aangelegd in 1612, speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van het dorp. Vanaf de jaren twintig van de 17e eeuw was er scheepvaart mogelijk tussen Zuidbroek en Groningen. Vermoedelijk was hier sprake van één van de eerste trekschuitverbindingen van Nederland. Het diep kreeg een aftakking naar Veendam, het Muntendammerdiep, waarvan de scheepvaart en waterhuishouding in de twintigste eeuw werd overgenomen door het Wildervanckkanaal.

In de 19e eeuw werd Zuidbroek ook bereikbaar per trein. Op 1 mei 1868 werd het spoorwegstation aan de lijn Groningen-Nieuweschans en Groningen-Veendam in gebruik genomen. Het stationsgebouw werd bijna een eeuw later in 1959 grondig verbouwd. De bovenverdieping en gedeelten van de zijvleugels werden hierbij verwijderd.

Het gebouw herbergt tegenwoordig het Noord-Nederlands Trein & Tram Museum. De aftakking van het spoor richting Veendam en Stadskanaal was vroeger onderdeel van de lijnen van de Noordoosterlocaalspoorweg-Maatschappij (NOLS), Zuidbroek was een knooppunt. De NOLS exploiteerde tevens de spoorlijn Zuidbroek-Delfzijl.

 

Tevens was er tussen 1881 en 1923 een paardentramlijn aanwezig in Zuidbroek. De Eerste Groninger Tramway-Maatschappij, die de lijn exploiteerde, zorgde er in 1895 voor dat de lijn Ter Apel bereikte.

 

 

Pagina 2